Fuel dumping

Fuel dumping, het lozen van brandstof tijdens de vlucht, vindt enkel plaats in uitzonderlijke noodgevallen. Dit gebeurt wanneer een vliegtuig direct na de start weer moet landen, bijvoorbeeld vanwege een technisch probleem, maar het, omdat het is volgetankt, zwaarder is dan het toegestane landingsgewicht. Bij het landen zou de druk op de remmen en het landingsgestel dan te groot zijn en zou het toestel beschadigd kunnen raken. Dit moet van tevoren brandstof lozen om het gewicht te verlagen. Er zijn echter maar weinig vliegtuigtypes, in het bijzonder vliegtuigen voor de lange afstand, waarbij het toegestane landingsgewicht lager is dan het startgewicht. Alleen deze types beschikken over een inrichting om kerosine te lozen.

Voor dit zogenaamde fuel dumping is toestemming vereist van de bevoegde luchtverkeersbeveiliging. De door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) voorgeschreven regels dienen te worden nageleefd. Zo mag de brandstof enkel worden geloosd boven onbewoond gebied en dient de lozing te geschieden op een hoogte van minimaal 6000 voet (1.800 m). De kerosine verdampt over het algemeen bijna volledig en de brandstofresten (minder dan 8 procent) verdelen zich op de grond over een groot oppervlak. In Duitsland vinden volgens de gegevens van de Duitse luchtverkeersbeveiliging per jaar ongeveer 40 gevallen van fuel dumping plaats.

Bij vochtig weer kunnen duidelijk zichtbare wervelingen op de vliegtuigvleugels ontstaan. Deze zogenaamde vleugeltipwervelingen worden vaak bij het aanvliegen waargenomen en verward met fuel dumping. Dit fysisch-meteorologische verschijnsel heeft enkel betrekking op condenswater.